TrainSpotting pt. 2: “Opa-duifjes”

Traject: Nijmegen CS – Oss West

Een paar minuten voor de trein vertrekt stapt er een jongetje in samen met zijn opa. Ze gaan een rij voor me zitten. Het jongetje is iets donker van huidskleur en bevindt zich in de bij elke ouder favoriete “waarom?”-periode in zijn leven.

“Opa, ik zie duifjes!”
“Waar?”
“Op de rails.”

De man kijkt uit het raam.
“Zijn dat opa-duifjes?” vraagt het jongetje belangstellend.
“Nee, dat zijn geen duifjes. Dat zijn Kouwen.”
“Hebben die het koud?”
Ik hoor de opa zachtjes lachen.
“Nee, die heten gewoon zo.”

We vertrekken.

Het jongetje vraagt druk naar alles wat hij ziet. “Wat betekent dat?”, “Wat is dat?”, “Wat staat daar?”. De man geeft steeds antwoord. Opperste rust. Wat een geduld, na een dag met zo’n kotertje.

De stem van de conducteur klinkt door de speakers. “Nijmegen Dukenburg, station Nijmegen Dukenburg.”
“Opa! De man in de lucht praat tegen mij!”
“Er is geen man in de lucht. Dit is net als op opa’s cd-tjes. De stem van de conducteur komt uit luidsprekers.”

We stoppen en er stappen mensen uit.
“Opa? Waarom stappen die mensen uit? We zijn er toch nog niet?”
“Deze mensen moeten hier uitstappen. Wij moeten er in Oss pas uit.”
“Gaan deze mensen hier blijven?”
“Ja. En wij gaan verder rijden naar Oss.”
“Maar… Blijven ze dan voor altijd hier? Net zoals oma?”
“Nee, niet voor altijd.”

We vertrekken weer en het vragenvuur wordt hervat. Na een tijdje staat hij op en loopt mijn kant op.
“Opa? Dat meisje heeft metaal in d’r hoofd!”
De man staat op, loopt om de banken heen naar mij en excuseert zich.
“Geeft niks hoor.” antwoord ik en glimlach naar het jochie wiens verbazing duidelijk in zijn gezicht af te lezen is.

Hij gaat naast me zitten. De man kijkt naar mij. “Sorry hoor. De leeftijd…”
Ik glimlach en wijs op de bank tegenover me. De man neemt plaats.

Precies op dat moment roept de conducteur: “Ravenstein, station Ravenstein.”
Met alle enthousiasme springt het jongetje op en roept: “We zijn in Nederland!!!”
De man en ik schieten in de lach. Hij snapt niet wat er grappig aan is.
“Echt waar! We zijn in Nederland!”

Het laatste stuk van onze reis bestaat uit gesprekken over het weer, mijn piercings (het blijft bijzonder voor mensen) en bovenal: heel veel vragen beantwoorden.

TrainSpotting pt. 1: “Wat een onzin!”

Traject: Schinnen CS > Oss West

“Wat een onzin!” hoor ik een vrouw roepen. Verbaasd kijk ik op uit m’n boek. Ze zit recht tegenover mij op de bank. De trein naar huis, eindelijk. Ze ziet er wat vermoeid uit, haar haar zit in de war alsof ze net bij de finale van de Tour de France is afgestapt en haar helm heeft afgezet.

“Je kan toch ook gewoon hier een kaartje kopen? Wat kan ik er nou aan doen dat ik het kwijt ben?” valt ze uit tegen de conductrice. Deze blijft opvallend rustig en legt uit dat het al een aantal jaren gebruikelijk is dat je dan een boete betaalt. Sinds een aantal maanden bedraagt die boete 35 euro. Ze wijst op het reglement waar het op staat. De vrouw staat kwaad op en loopt met grote stappen naar het bord.

“Wat een onzin is dit! Complete nonsens! Vorige week kocht ik een kaartje en ben ik helemaal niet gecontroleerd. Dat is toch zonde van mijn geld of niet dan?!” schreeuwt ze tegen de conductrice. Ik hang m’n koptelefoon om m’n nek en sla het geheel gade.

De conductrice spreekt haar rustig toe. “Mevrouw, wilt u een beetje kalmeren alstublieft? Als u geen kaartje koopt kost dit u de ritprijs plus de boete van 35 euro. Ik vind het ook niet leuk voor u, maar zo zijn de regels nu eenmaal.” De vrouw gaat zitten en kijkt boos. De bon wordt geschreven. Ze krijgt een acceptgiro thuis. “Een prettige reis nog verder mevrouw.” zegt de conductrice en loopt verder door de coupé.

De vrouw mompelt nog iets onverstaanbaars en kijkt daarna naar mij. “Snap je dat nou? Zo komen ze niet, dan komen ze wel en ineens moet je 35 euro gaan betalen. Achterlijke organisatie dat het is.” Helaas heeft ze een verkeerd persoon uitgezocht.

“Nou mevrouw, eigenlijk snap ik het best inderdaad.” zeg ik. Ze kijkt me argwanend aan.
“Ach snotneus, daar weet jij toch niks van. Allemaal zonde van het geld die kaartjes.”
Even kijk ik in mijn boek.
“Mevrouw? Bent u in het bezit van een rijbewijs?”
“Ja. Hoezo?”
“En een auto?”
“Ook ja.”
“Een gevarendriehoek, reservewiel, ijskrabber, ruitenwisser of iets dergelijks?”
“Ja, dat alles, ja.”
“Waarom? Het is zomer. U hebt geen ijskrabber nodig. En uw auto heeft toch 4 banden die niet lek zijn? Waarom neemt u dan een reservewiel mee? Ik zie geen regen. Waarom zou u die ruitenwisser meenemen? Uw ruiten kunnen niet beslaan zo. En uw auto rijdt neem ik aan, dus ook die gevarendriehoek is overbodig.”

“…”
“Weet u mevrouw… Mensen moeten niet zo zeuren. De trein is niet duur. We nemen altijd vanalles mee wat we niet nodig hebben. U weet toch dat u een kaartje moet kopen. Het kost geld. Net zoals benzine geld kost. Als u niet tankt komt u ook niet ver. Dat is hetzelfde met de trein. Het kost nou eenmaal geld. Alleen met een auto kan je niet zwartrijden. Met een trein wel. En zo onredelijk is de boete niet. U had veel geld kunnen besparen als u een kaartje had gekocht. In een trein hebt u maar 1 ding nodig, bij een auto zoveel. En toch verzuimen veel mensen dat ene kleine dingetje mee te nemen.”

De vrouw is niet blij met m’n opmerking. Haar eindstation wordt omgeroepen en ze staat op.
“Ik heb er in ieder geval wat van geleerd.” zegt ze. “Er zijn leukere dingen te doen met 35 euro. Goedemiddag.”
“Dag mevrouw.”